Debat SMBA: Am I Black

Am I Black SMBA_Panel+(2)
panel (source Metropolis M)

EN | NL

The Anglo-American art world has available to it a very well-developed Afro-American and Black British (critical) theory from which the works by Black artist can be positioned in a broader general social discourse. This fact is also applicable to the African continent and the Caribbean.

Up until now there is no official tradition of Afro-European art criticism and discourse to offer a context for criticizing the work made by Black artists in continental Europe. If we want to form an opinion about the work the only models available to us are the British-American, African and Caribbean lines of inquiry next to the dominant discourse of the European country in case. With these limitations in the back of our mind, works produced by Afro-European artists only resonate within these existing frameworks.

This observation is the basis for the debate ‘Am I Black’ in the in Stedelijk Museum Bureau Amsterdam. The central question is whether it is useful to think along racial and ethnic lines about contemporary art in the Netherlands, and if it could be useful to develop an Afro-Dutch and Afro-European art discourse? Is there space in the Netherlands and on the European continent in general, to make local ethnic issues part of the local art discourse on the basis of issues coming from the Black community? And, in this way set up an Afro-European thinking about art that could be part of the general art policies?

A light is shed on these questions by initiator Charl Landvreugd and placed in an international context by art historian Rob Perrée. After this there is a discussion between Macha Roesink (de Paviljoens), Annet Zondervan (CBK Zuidoost) and the artist-curators Remy Jungerman and Sara Blokland. The debate is moderated by Dr. Aspha Bijnaar.

Keynote by Charl Landvreugd

De projecten Wakaman en Becoming Dutch zijn beide gefinancieerd door het Mondriaanfonds. Het van Abbe omdat ze als winnaar uit de bus kwamen voor de Stimuleringsprijs voor Culturele Diversiteit en Wakaman als onderdeel van het project Intendant Culturele Diversiteit.

In 2006 begon het project Wakaman dat zich bezighield met

“… kunst van niet-westerse mensen die wel in het Westen wonen en de problemen die ze tegenkomen als het gaat om categorisering, herkenning en interpretatie.”1

In 2007 begon het van Abbe museum het project Becoming Dutch. Dit project vroeg zich af

“… of de kunst alternatieve voorbeelden zou kunnen bieden om na te denken
over een hedendaagse samenleving.” Op hun website staat: “Be[com]ing Dutch streeft ernaar onze ideeën over culturele identiteit te ondervragen en de processen van in- en uitsluiting in de huidige tijd te onderzoeken.”2

Volkskrant: 12 januari 2006: de kop van het artikel:” Museum is wit bolwerk gebleven” – “De grootste kunstmusea in Nederland hebben geen allochtonen in
dienst als directeur, onder de conservatoren of bij de afdelingen marketing, communicatie en educatie.”3

In een ander stuk werd de vraag gesteld waarom dat zo is en het antwoord was omdat men geen gekwalificeerde mensen kon vinden.

Onderdeel van de Stimuleringsprijs voor Culturele Diversiteit was niet alleen diversiteit in de musea maar ook onder de bezoekers. De reden dat men niet genoeg allochtonen het instituut in wist te krijgen was mij duidelijk. ‘De Allochtoon’ herkent zich niet in de programmering en dat kwam toen, volgens mij, mede omdat er geen allochtonen zitten op sleutelfuncties in de musea.

Van Abbe museum in de Volkskrant 19 mei 2006: de kop van het artikel:

“Wij gaan gastvrijheid creëren” (bij monde van wie is onduidelijk)
Vk: “Dat klinkt erg idealistisch.
VAM: “Dat zijn wij ook. Musea hebben de luxe dat ze niet marktafhankelijk zijn. Het gaat om hoop, en verbeelding is ons instrument.’ “4

Hoop is wat de Wakamangroep ook had en verbeelding was hun instrument om: “… kunst van niet-westerse mensen die wel in het Westen wonen en de problemen die ze tegenkomen als het gaat om categorisering, herkenning en interpretatie.”5 vorm te geven. Er restte mij niks anders dan me op de theorie te storten om de hoop en verbeelding van onder andere deze twee partijen te helpen vormgeven. Met het argument dat het tijd is voor mensen van kleur om voor zichzelf te spreken in plaats van dat er over ze gesproken wordt in een continentaal Europese context wist ik een plek te bemachtigen aan de Kunst en Archeologie faculteit van Columbia University in New York. Na drie maanden zat ik met behoorlijke hoge stress in de kamer van mijn supervisor omdat elk tweede gesprek op school ging over ras of raciale verschillen en etnische identiteit in relatie tot kritische theorie. Haar advies was ‘to suck it up’ en dat ik er wel gewend aan zou raken. Met mijn Nederlandse hoofd ben ik erin gedoken tot aan het extreem Afro-nationalisme toe om geïnformeerd terug te komen naar een nieuwe Nederlandse gematigdheid. De grootste les die ik daarvan heb geleerd is dat wij in continentaal Europa en in Nederland in het bijzonder geen Amerikanen zijn en geen Britten. Onze gevoeligheden zijn anders maar ook de manier waarop we omgaan met etnische verschillen en etnische identiteit in relatie tot nationale identiteit. Dat mensen van kleur over en voor zichzelf spreken en dat dit geaccepteerd wordt is in de VS en Groot Britanie inmiddels niet meer dan gebruikelijk. Bij ons staat dat proces nog in de kinderschoenen en vraag ik me inmiddels hardop af of dat niet de reden is waarom men niet genoeg “allochtonen” het
instituut in krijgt.

In 2010, nog steeds met het idee dat men voor en over zichzelf moet praten zat ik vanuit Harlem aan de telefoon met Patricia Kaersenhout. Ik maakte me vreselijk druk over de programmering rond de tentoonstelling Paramaribo Perspectives in TENT Rotterdam. Tijdens dat gesprek besloten we actie te ondernemen. Mariet Dolle van TENT was het ermee eens en het debat Am I Black Enough for You was geboren.

Dit debat ging over cultuurmakers met Afrikaanse roots in Nederland en was erop gericht de diverse posities te laten zien die kunstenaars in kunnen nemen binnen ons systeem. Daarvoor en als vervolg hierop heb ik gekeken naar esthetische strategieën en kwaliteiten die deze cultuurmakers toepassen of moeten bezitten om een plek te verwerven in het systeem die over enkele decennia nog relevant is. Daarbij zijn vragen gesteld die gaan over de interne dialoog in Nederland en met name binnen het ontwakende culturele bewustzijn dat een koppelteken bevat. Hierin vielen me enkele zaken op die leiden tot een volgend stel vragen die betrekking hebben op het niveau waarop het werk functioneert. Daarop voortbordurend vraag ik me af hoe het werk zich verhoudt tot de volgende 5 punten:

1. De rest van de Afro-Europese visuele productie (het Afro-
Europese discours}
2. Het internationale discours van de Afrikaanse Diaspora
3. Het dominante lokale discours.
4. Het dominante Europese discours.
5. Het dominante discours wereldwijd.

Al deze niveaus kunnen een inzicht verschaffen naar de locatie van het werk en tegelijkertijd de locatie van een mogelijk Afro- Europees discours of esthetiek.
De vraag die volgt op het niveau waarin het werk functioneert is de vraag naar domein waarin het werk zich bevindt. Er zijn enkele categorieën waarnaar gekeken kan worden die gedeeltelijk een overlapping hebben met de vorige ‘hoe’ vragen. Tegelijkertijd kan het werk in meerdere van de volgende domeinen functioneren, wat ons inzage geeft in de mogelijke local-global positie van de kunstenaar.

Ik kan me voorstellen dat deze vragen spelen bij menig curator die zich, vrijwillig of door beleid gedwongen, bezig houdt met kunst gemaakt door niet-westerse mensen in Nederland en/of Europa. Het is duidelijk dat bij elke kunstenaar deze vragen op een andere manier worden beantwoordt. Kunstenaars die te plaatsen zijn binnen het dominante discours worden sneller opgepikt dan kunstenaars die zich verhouden tot thema’s die niet direct in de belevingswereld passen van het huidige publiek die de instituten bezoekt. Zoals de Amerikanen zeggen, een catch 22, een kip of het ei situatie. En zoals altijd met zulke situaties is de argumentatie gecompliceerd. Er zijn talrijke mitsen en maren te bedenken voor elk argument dat wordt aangedragen ten faveure van de kip als wel het ei. De theoretische reflectie is slechts een onderdeel van de ontwikkelingen. Het is misschien veel interessanter om te kijken naar wat zich afspeelt in het veld.

Wat er gebeurt zijn initiatieven van kunstenaars die als tentoonstellingsmakers optreden en in die hoedanigheid hun en de koppelteken-Europeesheid in het algemeen onderzoeken. De koppelteken-identiteit kunstenaar-curator lijkt de verbeelding te hebben om het vooronderzoek te doen voor de grote instellingen. Vermoedelijk in de hoop en met de verwachting dat het verhaal onderdeel wordt van het dominante discours zoals dat in de VS en Groot Brittannië het geval is De hofmakerij die daar heeft plaats gevonden tussen de discours ging niet over rozen maar leidde uiteindelijk tot een vruchtbaar huwelijk. En ook al zijn er spanningen doodslaan doen zij elkaar,… niet meer, want tussen droom en daad staan wetten in de weg en praktische bezwaren, en ook weemoedigheid, die niemand kan verklaren, en die des avonds komt, wanneer men slapen gaat. (Elschot) En zo bouwen zij voort aan hun veelkleurig huis.

Bij ons is het hofmaken inmiddels op gang gekomen. In Dat vuur der grote drama’s uit 1982, toen de partijen elkaar alleen nog maar net in het vizier hadden beschrijft Edgar Caïro treffend hoe negerdinges van voorheen zich ontwikkelen tot hedendaagse negerdinges. En wanneer je het over negerdinges hebt wordt het moeilijk en altijd weer lastig. Dat was toen zo en als ik kijk naar de respons die ik heb ontvangen tijdens het van de grond krijgen van dit debat is het nog zo. Het is al gedaan in de VS en Groot Brittannië en dit soort gesprekken zijn nog niet rijp voor het publieke debat waren de meest gehoorde argumenten.

Het gaat mij om het gesprek en in de woorden van Tedja in Hosselen zeg ik: “Ook juich ik toe dat we, al was het maar voor een ogenblik … niet verplicht zijn te buigen voor een opgelegde stijl en in plaats daarvan ons voordeel kunnen doen met ver verwijderde overeenkomsten en opmerkelijke verwantschap.” (P. 48)

Eerder had ik het over hoop en verbeelding. In het kader van deze middag; het idee van aan Afro-Nederlands en/of Europees discours wil ik afsluiten met een citaat van Edgar Cairo uit een interview met Charles H Rowel voor Callaloo in 1998

ROWELL vroeg : How did your audience here in Holland receive your text?

CAIRO: Some Dutch found it funny or strange or curious. Others, especially people from the lower classes, saw it as a reflection of their own poverty. You see, the thing is that when writing about poor people as I did-because I came from a poor family, yes, backyard people, I would say, and you come out of the backyard and write on the backyard people-sometimes they don’t want to see their own stories. It’s too painful. It reminds them too much of the time they had to go through the mud where everything was under the water and their bellies screamed with hunger. What they want to read about is the new paradise, for instance. Later on, when they are in the position of having a refrigerator full of things and color TV, then they can laugh about the time they were poor, and then they read your book. But not the minute they are struggling to find a social position and they have to go for welfare, and there is all of this constant talk of turning them out again. They won’t identify with their own sorrows. But the sorrow is there. It’s their history. But you don’t only write about sorrow. Come on, I’m talking about human beings. We are talking about also things of happiness, laughter…. Twenty years ago, sixty years ago, no black man was writing for black culture. Because they identified it with slavery. My own brother, when I was creating black psalms, black religious psalms, said to me, “Brother what’s that shit you’re doing there? Don’t you know that the more you keep looking for Negro things, you’re putting a burden on yourself? Someone’s going to break your neck.” And that’s right, but that doesn’t mean that the black man’s culture is a burden. It means that the black man’s culture, the black man’s spirit, goes through a process to establish self-respect for those who have earned it for themselves, for their children, as a nation.

Ook wij hier inde zaal hebben de luxe dat niet marktafhankelijk te zijn. Het gaat om hoop, en verbeelding is ons instrument.’ “6

1 http://www.intendant.nl/intendant/projecten/02/project.php acc. 28-11-2012
2 http://www.becomingdutch.com/introduction/?s=d acc. 28-11-2012
3 http://www.volkskrant.nl/vk/nl/2676/Cultuur/article/detail/764052/2006/01/12/Museum-is-wit-bolwerk-gebleven.dhtml acc.28-11-20124 http://www.volkskrant.nl/vk/nl/2676/Cultuur/archief/article/detail/805933/2006/05/19/lsquo-Wij-gaan-gastvrijheid-creerenrsquo. acc. 28-11-2012
5 http://www.intendant.nl/intendant/projecten/02/project.php acc. 28-11-2012

6 http://www.volkskrant.nl/vk/nl/2676/Cultuur/archief/article/detail/805933/2006/05/19/lsquo-Wij-gaan-gastvrijheid-creerenrsquo. acc. 28-11-2012

 

Metropolis M Review:  door Anne Ruygt

Hoe zwart is kunst?

4670
audience (source Metropolis M)

Op donderdag 24 januari vond in SMBA het debat Am I Black plaats. Een initiatief van kunstenaar en schrijver Charl Landvreugd, dat voortborduurde op Am I Black Enough for You (Rotterdam, 2010). Hoofdthema? Zwarte kunst in een witte kunstwereld.

Is het een last om als kunstenaar gedefinieerd te worden in relatie tot je culturele achtergrond? Moet er (nog) een emancipatiestrijd gevoerd worden voor de erkenning van zwarte kunstenaars? Hoe kan er meer diversiteit komen in de Nederlandse kunstwereld? Dit zijn enkele vragen die aangestipt werden in het debat Am I Black.

De middag in SMBA werd geopend door gastheer Jelle Bouwhuis. Bij SMBA is hij al enige jaren bezig met Project 1975 over hedendaagse kunst in relatie tot kolonialisme. Zo’n vier jaar geleden merkte Bouwhuis op dat er in Nederland weinig aandacht was voor Afrikaanse kunst, terwijl deze kunst in andere – met name Angelsaksische – landen wel populair was. Zo begon bij SMBA de zoektocht, die de komende jaren voorgezet zal worden in het Stedelijk Museum met het onlangs gepresenteerde Global Collaborations.

Afro-Europese theorie en het discours

In de aankondiging voor het debat werden complexe onderwerpen aangehaald: ‘Is er ruimte in Nederland, en op het Europese vasteland in het algemeen, om lokale etnische issues onderdeel te maken van het lokale kunstdiscours op basis van de issues die uit de zwarte gemeenschap voortkomen? En, op die manier een Afro-Europees denken over kunst tot stand te brengen dat onderdeel kan worden van het kunstbeleid?’

Deze tekst is ongetwijfeld opgesteld door initiatiefnemer Charl Landvreugd, die door Bouwhuis komisch geïntroduceerd werd als zwarte kaaskop. In zijn openingslezing sprak Landvreugd over de traditie van Afro-Amerikaanse theorie en Black British Theory. De Nederlandse kunstwereld blijft naar zijn idee achter op dat gebied.

Aangezien er praktisch geen etnische diversiteit is in de staf van culturele instellingen, zo stelt Landvreugd, is het niet gek dat er geen allochtoon publiek komt (link: www.volkskrant.nl/Museum is bolwerk gebleven ). ‘Allochtonen kunnen zich niet vinden in de programmering.’

Hij vraagt zich af of dit gebrek aan diversiteit niet samenhangt met het feit dat een Afro-Europese discours nog in de kinderschoenen staat. Voor diegenen die niet volledig op de hoogte zijn van de stand van de Amerikaanse, Britse en West-Europese theorie op dit gebied was Landvreugds lezing erg abstract. De kwestie van een Afro-Europees denken bleef dan ook onderbelicht in het debat.

Kwaliteit

De tweede lezing kwam van kunstschrijver Rob Perrée en ging over zijn persoonlijke interesse in zwarte Amerikaanse kunstenaars. Zijn fascinatie begon in de jaren negentig toen hij in aanraking kwam met het werk van destijds onbekende Afro-Amerikaanse kunstenaars. In 1998 maakte Perrée een publicatie en tentoonstelling in De Beyerd en het Frans Halsmuseum over een groep zwarte kunstenaars. Vier van de kunstenaars die hij had geselecteerd trokken zich plots terug; zij weigerden in dit verband tentoongesteld te worden. Perrée erkent dat hij daar toen geïrriteerd over was – het was hem te doen om de kwaliteit van hun werk, niet hun huidskleur – maar dat hij nu nooit meer zo’n expositie zou maken.

Zijn positie maakt hij duidelijk door een citaat aan te halen van de recent aangestelde curator Afrikaanse kunst bij Tate, Elvira Dyangani Ose. Tate is al enige tijd bezig conservatoren aan te stellen met kennis van een geografisch gebied (in tegenstelling tot artistieke discipline). Let wel, zo stelt Dyangani Ose: ‘geographical provenance should not be considered an aesthetic category.’ Het gaat Perrée in de eerste plaats om de kwaliteit van een kunstwerk. Kwaliteit, zo suggereert hij, die losstaat van de etnische achtergrond van de kunstenaar.

Zwart

Tijdens de middag werd al snel duidelijk dat er veel incrowd aanwezig was; kunstenaars en critici die elkaar bij naam kenden en ongetwijfeld aanwezig waren bij het eerdere debat in Rotterdam, dat eveneens geleid werd door Aspha Bijnaar. Het panel bestond uit Remy Jungerman (kunstenaar), Sara Blokland (kunstenaar), Macha Roesink (directeur De Paviljoens) en Annet Zondervan (directeur CBK Zuidoost). Al direct na de voorstelronde van het panel werd de zaal betrokken bij de discussie. Het publiek bleek zeer geëngageerd en vuurde de discussies flink aan. Een nadeel was dat het debat soms chaotisch werd en in cirkels verliep.

De term ‘zwart’ werd continu aangehaald; ‘zwarte kunstenaar’, ‘zwarte kunst’, ‘black aesthetics’ et cetera. Afgezien van Perrée, die Landvreugd herhaaldelijk naar een definitie van deze ‘black aesthetics’ vroeg, leek geen van de aanwezigen zich druk te maken over de terminologie. De boventoon werd gevoerd door de vraag of het al dan niet een probleem is dat je als zwarte kunstenaar als zodanig gelabeld wordt. Sommige kunstenaars konden er niet mee zitten: ‘Mijn achtergrond maakt nu eenmaal deel uit van mijn werk.’

Een ander merkte op: ‘Het probleem is dat als ik bijvoorbeeld alleen maar Delftsblauwe vazen zou maken dat het dan nog steeds gezien wordt als politiek”. Perrée besloot olie op het vuur te gooien door te stellen dat de kunstenaar ook zelf verantwoordelijk is voor het label “zwarte kunstenaar”. ‘Je laat mensen ook weten dat je zwart bent. Je huidskleur is niet te zien in het werk zelf.’

Roesink vindt het problematisch dat altijd als een kunstenaar niet blank is er naar zijn etnische achtergrond wordt gevraagd in relatie tot zijn werk. Dat geldt niet alleen voor kunstenaars uit Afrika; Roesink haalt het voorbeeld aan van de Iraanse kunstenares Shirana Shahbazi die zich door 9/11 meer bewust werd gemaakt van haar wortels. Roesink: ‘Het is belangrijk om een debat als dit te voeren, omdat deze kunstenaars door anderen in een cultureel hokje geplaatst worden.’ Jungerman vindt het daarentegen belangrijker dat er nu een grote overzichtstentoonstelling komt van één of meerdere zwarte kunstenaars: ‘Een tentoonstelling is een uitspraak. Je kunt debatteren, maar als je iets wilt veranderen moet je onderbelichte kunstenaars simpelweg laten zien.’

‘Zwarte kunst’ en ‘zwarte issues’ blijken in het debat geen eenduidige, ongecompliceerde termen. Zondervan zet zich bij het CBK Zuidoost in voor een programmering die aansluit bij de leefwereld van de lokale bevolking. Om zwarte issues aan de kaak te stellen is huidskleur niet doorslaggevend: ‘Ook als blanke curator kun je, door je bewust te zijn, zwart programmeren. Diversiteit in je staf is daarbij belangrijk omdat het zorgt voor meer bewustzijn van je eigen normen- en waardenkader.’Landvreugd besluit: ‘Ik richt me specifiek op zwarte issues, omdat ik denk dat je door dit punt te takelen ook andere veranderingen teweegbrengt. Het gaat niet alleen over donkere huidskleur, maar even goed over het zichtbaar maken van andere minderheden in de kunstwereld.’ Voor Blokland is het juist problematisch dat dit debat gevoerd wordt langs lijnen van emancipatie, en niet van beeldende kunst. Er werd in SMBA gesproken over discours, huidskleur, diversiteit in musea, kwaliteit, maar er is geen enkel kunstwerk inhoudelijk besproken. Misschien is het inderdaad tijd voor een grote tentoonstelling van hedendaagse ‘zwarte kunst’ – dan kunnen we zien wat het eigenlijk inhoudt en daarna weer verder praten.

Het debat Am I Black is opgenomen en de videoregistratie zal binnenkort verschijnen op de blog van SMBA’s Project 1975: http://project1975.smba.nl/

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s